Satelliet en de Wereldomroep

In de jaren ’90 wordt een begin gemaakt met programmadistributie via satelliet. Het huwelijk van satelliet en televisie groeit uit tot de Vlaams-Nederlandse satellietzender BVN die tegenwoordig wereldwijd te ontvangen is.

Een technische ontwikkeling aan het eind van de jaren zeventig krijgt verregaande consequenties voor de programmering. Satellietverbindingen kunnen voortaan het signaal versturen naar de relaisstations op Bonaire en Madagaskar. Tot die tijd wordt het actuele deel van de programma’s via de kortegolfzender van de PTT in Kootwijk naar de relaisstations verzonden, terwijl het niet-actuele deel op band per vliegtuig wordt verstuurd. Door de satellietverbindingen kan de verzending van programmabanden worden stopgezet en is alles wat in Hilversum wordt gemaakt binnen enkele seconden uit te zenden via de relaisstations. Dat leidt tot een geheel nieuwe opzet van het uitzendschema en programma’s die veel actueler zijn.

Licentie

In 1991 krijgt de Wereldomroep, als enige naast de PTT, een licentie om via satelliet programma’s te verzenden naar partnerstations in Latijns-Amerika, waardoor distributie nog geavanceerder wordt. In de tweede helft van de jaren negentig wordt de satelliet meer dan een professioneel verbindingsmiddel: het wordt een distributiemethode. In de eerste plaats voor televisie: Zomer TV en later BVN. Met het tv-signaal wordt het radiosignaal van de Wereldomroep meegestuurd, in hifi stereo, maar dat leidt niet persé tot meer luisteraars. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat waar BVN televisie beschikbaar komt het aantal luisteraars naar de Wereldomroep afneemt. ‘Video killed the radiostar’.