Documentaire

In de televisiecollectie bevinden zich veel documentaires. In de jaren ’60 en ’70 waren de televisiedocumentaires zelfs belangrijke vernieuwers van het genre. Vanaf de jaren ’90 zijn veel ‘creatieve documentaires’ weliswaar door onafhankelijke producenten gemaakt maar wel met de onmisbare financiële steun van de een (publieke) omroep en van het Mediafonds, voorheen het Stimuleringsfonds Culturele Omroepproducties. De afspraak is dat van elke gesubsidieerde productie een kopie in het archief van Beeld en Geluid wordt ondergebracht.

Documentairemakers als Ivens, Haanstra, Van der Keuken en Van der Horst zijn over de hele wereld een begrip. Ook is het genre een belangrijk visitekaartje voor de publieke omroep. Bovendien zijn de documentaires een historische bron van grote betekenis. Zoals blijkt uit het veelvuldige hergebruik in televisieprogramma’s als ‘Andere Tijden’, geven de documentaires een fascinerend beeld van de ontwikkelingen in Nederland.

Kern van de collectie

Kern van de collectie is voortgekomen uit het Filmarchief van de RVD, een van de fusiepartners die tezamen Beeld en Geluid hebben gevormd. Het oudste deel van de collectie behelst de (gedeeltelijke) erfenis van het eerste filmarchief van Nederland: het Nederlandsch Centraal Archief (NCF). Dit werd in 1919 opgericht door een groepje betrokken historici en archivarissen met als doel het negatief-materiaal van over Nederland gemaakte documentaire films voor de toekomst te bewaren. De initiatiefnemers begonnen met films in bewaring te nemen van filmproductiehuizen als de Haghe Filmfabriek (1917) van Willy Mullens, en de Orion Filmfabriek (1922).

Polygoon

In de Polygoon/Profilti-collectie bevinden zich de nodige documentaires die tussen 1921 en begin jaren ’80 hetzij op initiatief van het bedrijf zelf, hetzij in opdracht van derden zijn gemaakt. Vooral de door het modernisme beïnvloedde werk uit het einde van de jaren ’20 en begin van de jaren ’30 van de ‘Polygonisten’ Cor Aafjes, Jo de Haas en Jan Jansen is van groot historisch belang.

Vooral in de periode 1945-65 werden veel van de films van de zogeheten Hollandse Documentaire School, met makers als Haanstra, Max de Haas, Herman van der Horst en anderen, met subsidie van de overheid financieel mogelijk gemaakt.